vrijdag 13 mei 2016

Nieuwe wet overheidsopdrachten is goedgekeurd!

Op 12 mei 2016 keurde het federaal Parlement de nieuwe wet overheidsopdrachten goed.

Deze wet zet de Europese Richtlijnen 2014/24/EU en 2014/25/EU van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten om. De uiterste omzettingsdatum was 18 april 2016.

De nieuwe wet zal de wet van 15 juni 2006 vervangen.

Een koninklijk besluit moet de datum van inwerkingtreding van deze wet bepalen. Dit zal niet gebeuren vooraleer er ook minstens een nieuw KB Plaatsing is goedgekeurd.

woensdag 4 mei 2016

Coördinatieproblemen bewijzen op zich geen fout in hoofde van de aanbestedende overheid

Zo oordeelde het hof van beroep te Gent in een belangwekkend arrest van 12 april 2016:

'Nergens in zijn verslag bekrachtigt de deskundige dat de coördinatie van de werken door de opdrachtgever gebrekkig is geweest. NV K. stelt ten onrechte dat het Studiebureau P. zelf coördinatiefouten zou hebben toegegeven, hetgeen niet kan afgeleid worden uit het feit dat het moeilijkheden zou hebben vastgesteld. Coördinatieproblemen zijn per se nooit uitgesloten bij het uitvoeren van gezamenlijke uitvoering van werken voor rekening van verschillende aanbestedende overheden die samengevoegd waren overeenkomstig artikel 19 van de Overheidsopdrachtenwet van 24 december 1993. Te dezen waren de gemeente Waregem en de Bouwmaatschappij Helpt Elkander immers medeopdrachtgevende besturen.

Bij het tussenarrest (p. 9) heeft het hof al geoordeeld dat ‘in zoverre artikel 28 §2 van het bestek de rechten tot schadevergoeding in hoofde van de aannemer zouden beperken, artikel 28 §2 van het Bijzonder bestek inderdaad als onbestaande diende te worden beschouwd’.

Dit neemt niet weg dat dit artikel van het Bijzonder bestek een duidelijke waarschuwing aan het adres van de inschrijver uitmaakte over de hinder die het gevolg kon zijn van de gelijktijdige veranderingen en uitbreidingswerken uit te voeren door de nutsmaatschappijen aan hun installaties. Coördinatieproblemen impliceren op zich geen fout(en) in hoofde van het opdrachtgevende bestuur.

NV K. blijft tevens in gebreke aan te tonen dat het bestuur enige aansprakelijkheid zou dragen voor onderbrekingen door de omstandigheid dat het terrein niet zou hebben voldaan aan de voorwaarden van het standaardbestek 250, hetgeen opnieuw de gerechtsdeskundige niet in zijn verslag bevestigt.

Het bestuur heeft te dezen lang voor de gunning van de opdracht en de aanvang van de werken allerlei vergaderingen belegd en strikte afspraken gemaakt met de betrokken nutsmaatschappijen of bouwmaatschappijen. Tijdens de uitvoering van de werken werden niet minder dan 48 coördinatievergaderingen met allerlei betrokken partijen gehouden en het kan dus niet worden voorgehouden dat het bestuur geen bijzondere aandacht heeft besteed aan de goede uitvoering van de gelijktijdige aannemingen.

De aannemer laat in deze omstandigheden na om aan te tonen dat hij aanspraak kan maken op schadevergoeding op grond van artikel 15, §5 (of op basis van artikel 16, §1 e.v.) van de A.A.V.

De oorspronkelijke vordering van de NV K. tegen het bestuur, (…), wordt bijgevolg ongegrond verklaard.’


Ref: Gent, 12 april 2016, ng. (AR 2007/2316 en 2007/3115), Pub502646.

woensdag 27 april 2016

Moeilijke berekeningsmethode in meetstaat leidt niet tot nietigheid gunningsbeslissing

Zo blijkt uit een arrest (bij uiterst dringende noodzakelijkheid) van de Raad van State nr. 234.464 van 21 april 2016 waarin 8 van de 9 inschrijvers twee posten van de meetstaat in de ongewone eenheid 'ton%'  verkeerd hadden berekend.

Een enkele inschrijver had wel gezien hoe het moest (nadere toelichting stond in het bestek), waarna de opdrachtgevende overheid overging tot verbetering van de rekenfouten van de andere inschrijvers bij toepassing van artikel 96 van het KB Plaatsing van 15 juli 2011.  Daardoor werd de rangschikking helemaal overhoop gehaald.  De inschrijver die zonder verbetering hoogst stond gerangschikt vatte de Raad van State.

De Raad van State oordeelt:

'Indien de verzoekende partij twijfels had bij het opstellen van haar offerte en het invullen van de samenvattende opmeting had zij de verwerende partij op dit punt, zo lijkt het, kunnen – of zelfs moeten – bevragen alvorens een offerte in te dienen. Zij heeft dit echter niet gedaan. De gevolgen voor de rangschikking van haar offerte van het feit dat zij schijnbaar over het %-teken in de
eenheid “ton%” heen heeft gelezen, lijkt zij dan ook zelf te moeten dragen. 

(...)

Voorts lijkt het feit dat maar één inschrijver de in het bestek vooropgestelde berekeningswijze juist heeft toegepast, op zich de rekenkundige verbetering van de offertes van de overige inschrijvers aan de hand van de correcte formule alvast niet onwettig te maken'.

maandag 21 december 2015

Europese Commissie publiceert drempelbedragen voor overheidsopdrachten in periode 2016-2017

Op 25 november 2015 verscheen in het Publicatieblad van de Europese Unie de verordening nr. 2170/2015 van de Europese Commissie met de drempelbedragen voor 2016 en 2017. Deze bedragen bepalen welke overheidsopdrachten aan de Europese bekendmakingsregels onderworpen zijn.

 De bekendmakingsdrempels voor de klassieke sectoren zijn:
  • voor leveringen en diensten: 209.000 euro (vroeger: 207.000 euro)(met uitzondering van bepaalde "centrale overheden" waar 134.000 euro wordt vervangen door 135.000 euro))
  • voor werken: 5.225.000 euro (vroeger: 5.186.000 euro)
De bekendmakingsdrempels voor de speciale sectoren en in de sectoren water, energie, vervoer en postdiensten zijn:
  • voor leveringen en diensten: 418.000 euro (vroeger: 414.000 euro)
  • voor werken: 5.225.000 euro (vroeger: 5.186.000 euro)
De bekendmakingsdrempels voor defensie- en veiligheidsbeleid zijn:
  • voor leveringen en diensten: 418.000 euro (vroeger: 414.000 euro)
  • voor werken: 5.225.000 euro (vroeger: 5.186.000 euro)
Een ministerieel besluit zal deze nieuwe bedragen zal aanpassen in de Belgische overheidsopdrachtenregelgeving.

woensdag 25 november 2015

Materiële vergissing in het gunningsverslag of meer dan dat? Bij twijfel volgt de vernietiging

In het arrest bij UDN nr. 232.491 van 8 oktober 2015 stelt de Raad van State zich streng op over wat door de aanbestedende overheid als een loutere materiële vergissing in het gunningsverslag werd beschouwd.

De zaak betrof een overheidsopdracht voor de plaatsing van kerstverlichting. Het debat betrof het tweede gunningscriterium 'Beschrijving van de werkwijze' dat op 30 punten stond. In het gunningsverslag werd volgende quoteringswijze gehanteerd:

'Quoteringswijze: Zeer goed = 4; Goed = 3; Voldoende=2; onvoldoende= 1; ontbreekt = 0. Deze quotering wordt vermenigvuldigd met 6.'

Dat ingevolge de gehanteerde quoteringswijze slechts een maximum van 24 punten behaald kon worden.  De aanbestedende overheid had vergeten om de quotering 'uitstekend = 5'  - die een maximumscore van 30 punten wel mogelijk maakte - op te nemen in het gunningsverslag.

De Raad van State besliste:

'Zelfs indien met de verwerende partij en de tussenkomende partij zou worden aangenomen dat het weglaten van de score “Uitstekend = 5” in het verslag van nazicht slechts het gevolg is van een materiële vergissing, valt op te merken dat uit het verslag van nazicht op het eerste gezicht niet blijkt of de verwerende partij aan de verzoekende partij met de beoordeling “zeer goed” de beste score dan wel de op één na beste score wilde toebedelen. In de motivering meent de verwerende partij dat de offerte van de verzoekende partij “uitermate rekening [houdt] met het behoud en respect voor het openbaar domein en de bestaande bomen” en dat zij de opdracht zal uitvoeren met “optimaal behoud van de ondergrond”. Dergelijke adjectieven “uitermate” en “optimaal” lijken er even goed te kunnen op wijzen dat de verwerende partij aan de offerte van de verzoekende partij voor dit gunningscriterium de beste score wou toekennen.

Er blijkt op het eerste gezicht dan ook niet of de beoordeling van het tweede gunningscriterium de beste score wou toekennen.'





Hoe milieubeheerssystemen op te leggen als selectiecriterium bij overheidsopdrachten?

De overheidsopdrachtenreglementering maakt het mogelijk om 'in passende gevallen' een EMAS of ISO 14.001-certificatie of een vergelijkbaar milieumanagementsysteem in de bedrijfsvoering te verlangen. 

De  bewoordingen in de regelgeving zijn echter complex en laten interpretatieruimte toe, waardoor heel wat aanbestedende overheden vragen hebben bij het correct juridisch gebruik van het selectiecriterium. Bovendien is het niet duidelijk in welke gevallen het opleggen van het selectiecriterium passend is. Het opleggen ervan mag de mededinging immers niet onredelijk beperken, moet relevant zijn en moet in een proportionele verhouding staan tot het voorwerp van de opdracht.

Daarom werd door de Vlaamse overheid een kant- en klare modelclausule opgesteld die gebruikt kan worden door (aarzelende) aanbestedende overheden:

'De [kandidaat / inschrijver] moet EMAS of ISO 14.001 zijn gecertificeerd. Certificeringen op basis van normen of standaarden die uitgaan van in andere lidstaten gevestigde instanties die gelijkwaardig zijn aan EMAS of ISO 14.001 en andere bewijzen inzake gelijkwaardige maatregelen op het vlak van milieubeheer worden ook aanvaard.'


zaterdag 24 oktober 2015

Betrouw niet blind op fiscale attesten van Digiflow!

In het arrest nr.  232.657 van 22 oktober 2015 schorst de Raad van State als volgt een uitsluitingsbeslissing:

'Te dezen blijkt uit de stukken van het administratief dossier dat de verwerende partij vanwege de FOD Financiën op 24 juli 2015 een negatief fiscaal attest heeft verkregen met betrekking tot de verzoekende partij, en zich daarop heeft gesteund bij haar besluitvorming .

De verzoekende partij legt echter bij haar verzoekschrift positieve fiscale attesten voor van 7 juli 2015 en 23 september 2015. In haar stuk 7 brengt zij twee beslissingen aan waarbij voorafgaand aan de huidige opdracht in de maanden maart en juni 2015 aan haar een opdracht werd gegund “sedert de Digiflow-toets”. De verzoekende partij bracht aldus reeds in haar verzoekschrift gerede twijfel bij over de juistheid van het attest waarover de verwerende partij beschikte en waarop deze zich steunde, overigens een datum betreffend na het verlopen van de in de regelgeving bepaalde termijn van 48 uur. Daarbij komt dat ter terechtzitting de verzoekende partij bijkomend een attest van diezelfde datum als het Digiflow-attest voorlegt waarbij de adviseur-generaal-gewestelijk directeur van het inningscentrum bevestigt dat de betrokken inschrijver “op datum van vrijdag 24 juli 2015”, zijnde dezelfde datum waarop het Digiflow-attest slaat, “geen enkele opeisbare belasting, administratieve boete, nalatigheidsinterest, noch vervolgingskosten in zake directe belastingen en geen enkele opeisbare belasting, interest, administratieve geldboete of toebehoren inzake btw verschuldigd is”, waarvan de totale som meer dan 3.000 euro bedraagt. 13. Aldus lijkt het motief voor de afwijzing van de verzoekende partij als inschrijver ondeugdelijk, want gesteund op een prima facie onjuist attest dat door het nieuwe dat later is verstrekt wordt tegengesproken, en lijkt dat eerste attest heden eigenlijk als ingetrokken te moeten worden beschouwd. Bijgevolg is op het eerste gezicht de toepassing van artikel 61, §2, van het koninklijk besluit Plaatsing, en de handhaving van de rechtsgevolgen daarvan, niet rechtmatig en is het middel in die mate ernstig. Het gebruik van het Digiflow-attest heeft geleid tot de eerste en de tweede bestreden beslissing. Hun tenuitvoerlegging dient bijgevolg te worden geschorst.

Wat de derde bestreden beslissing betreft, de impliciete weigering om perceel 1 aan de verzoekende partij te gunnen, zet de verwerende partij niet uiteen en wordt niet spontaan ingezien waarom het perceel 1 niet aan de verzoekende partij had dienen te worden gegund, in de bijzondere omstandigheid dat het meervermelde Digiflow-attest nu ondeugdelijk lijkt of van geen waarde meer en lijkt het dat met haar offerte voor perceel 1 de verzoekende partij de laagste prijs bood en zij op grond daarvan recht op die gunning heeft gehad en nog heeft op het deel van de opdracht dat nog niet is uitgevoerd. Ook die impliciete beslissing wordt bijgevolg in haar tenuitvoerlegging geschorst'.'